De Crisis als Kans – Over de maatschappelijke dimensie van de Covid19-Pandemie – Gerald Häfner

De Crisis als Kans – Over de maatschappelijke dimensie van de Covid19-Pandemie – Gerald Häfner

De Crisis als Kans – Over de maatschappelijke dimensie van de Covid19-Pandemie – Gerald Häfner 150 150 Paul Stender
Afdeling Sociale Wetenschappen

De Crisis als Kans – Over de maatschappelijke dimensie van de Covid19-Pandemie

Crises synchroniseren ons – en ze individualiseren ons tezelfdertijd.

We ondergaan allen dezelfde beperkingen, mogen allen dezelfde dingen niet meer doen – en zijn toch plots enkelingen, strikt van elkaar gescheiden. Het heeft bijna iets spookachtigs als de mensen, als door een choreografie van op afstand gestuurd, van de ene dag op de andere in hun huizen blijven, als het openbare leven afsterft, als ze niet meer naar elkaar toe-, maar elkaar bewust uit de weg gaan, niet meer samenkomen maar in een zo groot mogelijke boog om elkaar heen lopen. Wat je zo aan de buitenkant kunt waarnemen, heeft een innerlijke tegenhanger. Want wat ik doe, doe ik voor anderen – en zij voor mij. Ik doe het alleen, helemaal op mezelf, maar het heeft maar zin als iedereen het doet.

Met onze samenleving is iets merkwaardigs aan de hand. Er zijn tijden waarin alles vast en onveranderlijk lijkt, als in beton gegoten. En er zijn tijden waarin alles met één slag verandert, van de ene dag op de andere. Zoals nu. Iets wat we niet voor mogelijk hielden, doet zich voor: de scholen, kinderdagverblijven en schouwburgen gesloten, de kerken, musea en sporthallen gesloten, de winkels, hotels en restaurants gesloten, de speelpleinen en parken, de bedrijven en zelfs de grenzen gesloten. De mensen opgesloten in hun woningen – en als ze zich buitenshuis wagen, dan uitsluitend alleen of met z’n tweeën, op grote afstand en met mondbescherming. En dat niet voor één dag, niet voor één weekend, maar gedeeltelijk al sinds maanden.

Kleine, middelgrote en grote ondernemingen die wereldwijd opereren, ook zulke die tot de meest succesvolle behoorden, verliezen haast hun hele waarde, staan aan de afgrond, moeten zich failliet laten verklaren of worden een hulpeloze buit voor begerige financiële speculanten. Vliegtuigen blijven aan de grond, de medewerkers blijven thuis, reizen, conferenties, cultuur- en sportevenementen worden afgezegd. Miljoenen mensen verliezen hun werk, velen ook hun inkomen, niet weinig mensen verliezen ook de moed, de zin in het leven en het contact met hun geliefden. En de mensheid heeft angst.

De publieke opinie wordt momenteel sterk overwegend beheerst door twee nauw met elkaar verbonden reflexen: angst en afweer. Het virus wordt door de regeringen wereldwijd als vijand in het vizier genomen en bestreden met regelingen die aan oorlog doen denken. In Frankrijk spreekt de president bewust martiaal van oorlog tegen het virus. De president van de VS stelt het geheel zelfs voor als een buitenlandse invasie waar het machtige Amerika zich met alle middelen moet verweren. De VSA bevinden zich bijgevolg in een strijdpositie tegen het ‘chinese virus’ – en de regering eist zelfs van de Verenigde Naties dat ze dat ook zo officieel benoemen. De reactiepatronen zijn niet overal dezelfde, er zijn zeker nuances, die veel zeggen over de denkwijze en het karakter van bepaalde politici, over de cultuur van een land en over de maturiteit van een samenleving, maar de agressief-strijdbare denkwijze voert de boventoon.

Daarin komt een denk- en reactiepatroon tot uiting, dat een vijandige houding tegenover de wereld cultiveert, een handelen in strijdmodus, in een houding van afweer, verovering of overheersing. Alles wat niet geïntegreerd kan worden in het kader van het vertrouwde wereldbeeld, wordt ontkend of vernietigd. Wat daarbij gebeurt, is het tegendeel van wat er op een opbouwende manier in de omgang met deze situatie gedaan had kunnen of moeten worden. Mensen isoleren, afzonderen van hun scheppende bezigheden, ze beperken in hun gewone bewegingsbehoeften, dat alles verzwakt in sterke mate de menselijke capaciteit om zich op een gezonde manier met een mogelijke bedreiging door het virus uiteen te zetten. In dit opzicht zou precies het tegenovergestelde hulp geboden hebben: sociale contacten, warmte, nabijheid, ontmoeting, maar ook beweging, frisse lucht, vreugde en zin in leven en handelen. Inmiddels wordt er zelfs openlijk over gediscussieerd over wat tenslotte de ergste gevolgen zal hebben: de besmetting van veel mensen met het virus of de maatregelen om het af te weren.

Pandemie als ontwaakbelevenis voor de mensheid?

De blik op de sociale dimensie van de gebeurtenissen is hier heel bewust niet gericht op het aan de kaak stellen of opsommen van fouten die begaan en dingen die veronachtzaamd zijn. De insteek is niet bedoeld als een analyse van de gebeurtenissen, maar poogt veeleer, voorzichtig tastend, met inzicht in het gebeuren rond de corona-pandemie, tot een vooruitblik te komen.

In het sociale is een geheel abstracte, neutrale voorstelling van zaken een illusie. Veeleer houdt de manier waarop wij iets waarnemen, begrijpen en beschrijven wat nog zich nog aan het voltrekken is, steeds tezelfdertijd ook een stuk mee-bewerken in. Want het sociale vormt zich tussen de mensen; eenieder maakt er deel van uit. Wij zijn daarbij geen neutrale toeschouwers; we zijn mede verantwoordelijk voor wat er gebeurt en ook voor wat daaruit ontstaat. Vanuit dit perspectief van volle medeverantwoordelijkheid is deze bijdrage geschreven.

Een ziekte komt altijd ongelegen. We hebben belangrijker zaken te doen dan ziek zijn. Vaak gaat het echter niet anders. Dan moeten we de ziekte tijd en ruimte geven. Wie dan opmerkzaam naar zichzelf luistert, komt er bijna steeds achter waarom hij ziek werd. Want iedere ziekte heeft ook een reden – en een specifieke zin.

Zou niet, zoals iedere ziekte voor de afzonderlijke mens een biografische betekenis heeft, dat ook bij een pandemie het geval kunnen zijn – alleen dan voor de hele mensheid? Ziektes kunnen ons in het individuele leven met de neus op het feit drukken dat wij iets bepaalds in de loop van ons leven niet de baas zijn geworden, en ons dwingen ons daarmee uiteen te zetten. Zo zou een pandemie een soort truc van de natuur kunnen zijn, de hele mensheid met bepaalde, tot nu toe verdrongen vragen te confronteren en tot nog toe verzuimde stappen te zetten. Meestal moet een patiënt tot het inzicht komen dat zijn levenswijze tot op dat moment ongezond was en dat hij zich een andere aan moet meten als hij weer gezond wil worden en nog langer leven.

Het valt niet te ontkennen dat wij als mensheid steeds verder in een levenswijze zijn terechtgekomen, waardoor wij de wereld vernietigen, er vijandelijk tegenover staan en proberen die uit te buiten en te beheersen – en waardoor wij zelf, om het kort door de bocht te zeggen, van alles alleen nog maar de prijs kennen en van niets meer de waarde. Zo zijn wij in toenemende mate de verbinding kwijtgeraakt: met onze medemensen, met onszelf, maar veel meer nog met de natuur en met alle andere wezens die samen met ons deze wereld bevolken en beleven.

Wetenschap en techniek zijn verwezenlijkingen van ons denken en ons willen. Die twee doen in razend tempo de wereld de adem inhouden. Daarbij zijn betrokkenheid en verbinding achtergebleven – de kwaliteiten van ons hart, onze longen, ons middengebied. Dit virus werkt in het bijzonder op dat gebied, op datgene dus dat tussen denken en ledematen in als menselijk midden de verbinding schept met de wereld. Hier, in adem en hartslag, ben ik bij mijzelf en tegelijk helemaal met de wereld verbonden. Ik neem met iedere inademing de wereld in mij op en laat bij het uitademen weer een deel van mijzelf de wereld instromen. Maar net hier ontplooit het virus zijn ziekmakende werking.

Niet in terugblik, maar in vooruitblik begrijpen

Alleen thuis, en steeds meer op het internet aangewezen, verliezen wij in toenemende mate onze verankering in de uiterlijke werkelijkheid. We verliezen ons gevoel van veiligheid en onze zekerheden – op economisch, op sociaal, maar ook op geestelijk en politiek vlak. Wij weten steeds minder wat juist is. Er zijn oneindig veel verhalen, visies en inschattingen over wat er op de achtergrond speelt. Is het virus daadwerkelijk van een vleermuissoort, die in Wuhan op een markt van wilde dieren werd verhandeld? Of is het ontsnapt – met opzet of per ongeluk – uit een in de omgeving gelegen bio-laboratorium, waarin net onderzoekswerk met zulke virussen aan de gang was? Niet alleen daarover woedt een verbitterde strijd.

Ook in andere opzichten worden de uiteenzettingen heftiger, en de verhalen zo verschillend, dat het lijkt alsof de vertellers in verschillende werkelijkheden leven. Opvallend is daarbij de heftigheid van de oordelen. Veel gesprekken zijn tegenwoordig na een eerste aftasten al snel weer beëindigd – te onverenigbaar lijkt voor de ene gesprekspartner de visie van de andere. De zekerheid aan de ene kant, en de onmacht om met een andere beleving om te gaan aan de andere kant, roepen bevreemding op. Er ontstaat als een gevoel van schijngrootte tegenover dit gebeuren, doordat men denkt het precies te kunnen verklaren en daarmee ook te kunnen uitbannen. Daarmee verbonden is bijna altijd een denken in categorieën van goed en kwaad, resp. zwart en wit, wat helemaal niet meer past bij de historische situatie waarin wij ons bevinden.

Controle en bewaking vieren hoogtij

We beleven daadwerkelijk een hoogtij voor registratie en controle, bijvoorbeeld door middel van bewakings-apps of met het plan chips te implanteren die aangeven of iemand ingeënt is en of iemand antilichamen heeft of niet. In China moet je nu al een app op je mobiele telefoon hebben, die het besmettingsrisico van de bezitter permanent in de kleuren rood, geel of groen aangeeft. Over de installatie beslist de overheid zonder medeweten of inspraakmogelijkheden van de bezitter. Degenen bij wie de telefoon rood oplicht, mogen geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer. Zij mogen ook geen openbare gebouwen en de meeste ruimtes of winkels niet meer binnengaan. Op grond van een machinale beslissing wordt hun dat verhinderd. En dat is nog maar een eerste voorproefje. We zullen ons in de toekomst met nog verdergaande gevaren en tendensen uiteen moeten zetten.

Het wereldgebeuren heeft vandaag zeer veel lagen en is complex. Het gewone verstand zoekt naar een enkelvoudige, naar de verklaring. Er moet altijd één oorzaak, één reden zijn, waaruit zich al het volgende laat afleiden. In deze opvatting verloopt geschiedenis in de vorm van oorzaken en gevolgen lineair van A naar B. In de werkelijkheid zijn de dingen echter meestal aanzienlijk complexer en meer gelaagd. Zelden volstaat één enkele verklaring om een historische gebeurtenis omvattend te kunnen begrijpen en een plaats te geven. De meeste verklaringen betreffen slechts één laag, één aspect van het geheel. Simpele, reductionistische verhalen zoals de overtuiging dat het hele gebeuren als plan door een bepaalde persoon of groep is uitgebroed en wereldwijd doorgevoerd, zitten er zo goed als altijd naast. Antroposofische geschiedvorsing onderzoekt daarom historische feiten niet alleen in hun causale samenhangen, maar laat ze hun bijzondere en gedeeltelijk ongrijpbare karakter en probeert eerder ze als symptomen te zien: als verdichtingspunten resp. zinvolle uitdrukkingen van een meer omvattende werkelijkheid. Die onttrekt zich niet aan ons begrip, maar onthult zich ook niet volledig; ze kan als een soort taal gelezen worden, waarbij we naargelang onze capaciteiten en onze horizon steeds nog verdere, aanvankelijk verborgen begripslagen kunnen ontsluiten.

Dus wil ik heel bewust na de daarnet genoemde kijk op de zaak, nog een andere, even ware tenminste kort aanduiden. Als je enigszins vertrouwen mag hebben in wat zich via diverse media en persoonlijke contacten met betrokken personen aan politieke handelingen en uitlatingen aandient, dan was, in ieder geval in de meeste landen, het centrale motief voor de genomen maatregelen niet: controle, bewaking en inentingen bewerkstelligen, maar veeleer: mensen beschermen en mensenlevens redden. Als dat zo is, dan is het een buitengewoon opmerkelijk feit dat wij als maatschappij vandaag op een punt zijn aangekomen, waarop wij niet meer bereid zijn een groot aantal mensenlevens op te offeren, maar waarop werkelijk gepoogd wordt voor ieder mensenleven te vechten. Das is een nieuwe stap in de mensheidsontwikkeling. En een nieuwe ervaring. Wij oefenen ons daarbij, solidair te leven, verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen. Ute Hallaschka noemt dat: “De fysische afstand bewaren uit innerlijke nabijheid tot onze naaste.”[1] Wij zijn allen met elkaar verbonden. “Wij zijn een organisme. Een mensheidslichaam.”[2]

In deze samenhang lijkt mij nog iets belangrijk. Natuurlijk kun je alle vermoedens, aanwijzingen en bewijzen natrekken om de veroorzaker van een historisch gebeuren te identificeren. Maar dat leidt uiteindelijk nauwelijks of helemaal niet tot een oplossing. Vaker dan men denkt, verhouden de zaken zich juist omgekeerd. Wie met de vinger iemand kan aanwijzen en zeggen: “Die was het!”, is het probleem nog lang niet de baas geworden.

Ik zou het zo willen formuleren: steeds minder kunnen wij de omstandigheden waarin wij leven, doorzien vanuit een terugblik. Wij kunnen deze omstandigheden veeleer alleen nog begrijpen vanuit een vooruitblik.

De raadsels die de geschiedenis ons voorlegt, kunnen wij niet achteruitblikkend, maar alleen nog vooruitblikkend oplossen. Vooruitblikkend begrijpen en oplossen betekent: het “Houd de dief!”-gebaar is in de grote beproevingen waar de mensheid heengaat, niet meer interessant en niet meer relevant. Want het helpt ons niets, één (of veel) schuldigen te kunnen benoemen. Het helpt niets een ander met de vinger aan te wijzen en zichzelf tot buitenstaander te verklaren. Drie vingers van mijn hand wijzen daarbij altijd naar mij terug. De vraag luidt niet alleen: hoe kan ik het gebeuren vanuit zoveel mogelijk lagen en kanten begrijpen, maar ook: wat kan ik, wat kunnen wij bijdragen? Wat kan ik bijvoorbeeld in het vervolg anders gaan doen?

Het is waar: crises worden ook altijd als gelegenheden benut om politieke doelen in het kader van vermeende noodzaken door te drijven en daarbij fundamentele openbare discussies te vermijden.

Echter evenzeer is waar: crises bergen ook altijd in zich de mogelijkheid om verkeerde methodes en beslissingen terug te draaien, niet voort te zetten, en de weg te gaan naar de openbare discussie over en de ondersteuning voor nieuwe, betere wegen.

Het is open. Naar beide zijden. Wat eruit te voorschijn komt, is niet voorbestemd. Wat uit een crisis ontstaat, ligt in onze hand. De manier waarop we een crisis begrijpen, evenals de besluiten die wij nemen als we ermee geconfronteerd worden, zijn daarin meebeslissend.

“Follow the science”

Het is karakteristiek voor deze met het wereldwijd optreden van het nieuwe virus verbonden crisis, dat alle politieke maatregelen de aanwijzigen van een verhoudingsgewijs klein aantal wetenschappers volgen. Het zijn hoofdzakelijk virologen en epidemiologen die de koers bepalen. Hun gereedschap bestaat uit modellen, diagrammen, prognoses en waarschijnlijkheden. Maar artsen op intensive care afdelingen, longspecialisten of artsen die algemene geneeskunde bedrijven, komen vaak al tot andere opvattingen. Zou je er nog mensen uit andere vakdisciplines en beroepen bijhalen, misschien ook een paar ouders of kunstenaars, dan zouden gedifferentieerde, meer afgewogen resultaten denkbaar zijn. Zoals het nu gaat, leidt het reeds vaak op een glimlach onthaalde dictaat van het ‘heersende virologiaat’ tot een verenging van de politiek.

Onder druk van de crisis is ongemerkt een heerschappijvorm ontstaan waarnaar de roep al eerder geklonken had. De heerschappij van de wetenschappers – oftewel technocratie.

“Follow the science” was als vanzelfsprekend tot een slagwoord van talloze klimaatbeschermers geworden. Is dat niet juist? Gaat het er niet om diegenen te volgen die er werkelijk verstand van hebben?

Neen. Deze eis gaat aan de essentie van het geestesleven voorbij en ontkent (resp. verwisselt) geestesleven en rechtsleven. De ‘houding’ of de ‘aanwijzing’ van het geestesleven is ook nooit eenduidig of helder. Dat spreekt niet met een enkelvoudige, eenduidige stem. Het heeft geen collectief karakter. En ook geen bepalende. Veeleer is het een plek van permanente worsteling – vaak ook strijd – om de juiste, de best mogelijke kennis. In ieder individu, ieder begrip, iedere gedachte, iedere beslissing, iedere bewuste handeling wordt kennis, wordt geestesleven present en werkzaam. In en door ons – als individu.

Wanneer echter een bepaalde mening algemene geldigheid opeist of zelfs overheersing van alle andere meningen, wanneer ze gelooft te kunnen voorschrijven wat voor de mensen juist is en wat onjuist, wat ze mogen geloven, denken, zeggen of doen, dan wordt het gevaarlijk – of zelfs boosaardig. Wat in de vorm van rechten en wetten voor allen moet gelden, dan kan vandaag niet (meer) eenzijdig opgelegd, dat moet veeleer met elkaar onderhandeld en democratisch besloten worden. Anders zou het dictaat de plaats van het recht, de dictatuur die van de democratie innemen.

De tendens tot technocratie of expertocratie vormt een steeds groter gevaar voor de democratieën. De politiek die door wetenschappelijke kennis wordt bepaald, wordt blind juist voor het eigenlijke van de politiek, de mensen. Ze neigt ertoe, alternatieven uit te doven en immuun te worden tegen maatschappelijk verzet. Ze onderdrukt en censureert debatten, men kan zich tenslotte niet tegenover de wetenschap stellen. Wie een dergelijke politiek vertegenwoordigt, ontkent dat de wetenschap zelf pluralistisch is. In ieder geval zolang ze nog wetenschap is. Waar ze haar pluralisme opgeeft, waar ze nieuwe inzichten en andere kennistoegang uitsluit, heeft ze haar ware karakter en haar geldigheidsaanspraken reeds verloren. Want wetenschap is geen vaststaande inhoud, maar een open, pluralistische methode.

In de democratie kan nooit slechts één gezichtspunt geldig zijn. Veeleer moeten er verschillende tegen elkaar worden afgewogen. Waar dat niet of ontoereikend het geval is, zetten de mensen er zich tegen af. Dat is verstandig en terecht. Gevaarlijk echter is de onwil het bestaan van andere gezichtspunten te erkennen. Deze houding neemt aan beide kanten toe. Als in een wedstrijd van wederzijds wantrouwen en elkaar overtreffen weigeren ze het gerechtvaardigde van de andere opvatting onder ogen te zien. Wie zo denkt, vergiftigt en vernietigt het democratische discours. Hij bouwt mee aan een ondemocratische wereld vanuit onwrikbaar vertegenwoordigde eenzijdige wereld- en misvormde vijandbeelden, die meer en meer mensen beheersen.

Wat aanvankelijk tegenover het voorspelde gevaar van een dramatische pandemie die het gezondheidssysteem zou overbelasten, ter bescherming van de bevolking juist werd geacht – acute en van overheidswege opgelegde beperkingen – dat begint in de beleving van een toenemend aantal mensen om te slaan. Zij klagen over repressie van bovenaf en protesteren tegen de inperking van hun vrijheids- en burgerrechten. De reden is een dramatisch verzuim van de politiek: de betroffen mensen worden niet betrokken, niet gehoord, niet geraadpleegd. Ze voelen zich niet serieus genomen. Hoe anders was het geweest, als na een korte tijd, waarin de prognoses en modelberekeningen van de virologen haast alleen het handelen bepaalden, al spoedig een open, dialogische en democratische aanpak tot ontwikkeling was gekomen? Rondetafelgesprekken met artsen en hulpverleners uit verschillende vakgebieden en invalshoeken bijvoorbeeld – of rondetafelgesprekken over de kinderen met opvoeders, leraren, ouders, jeugd- en maatschappelijke werkers en vrijwilligers! Als er in de zin van een functionele geleding en democratisch zelfbeheer meer met elkaar dan over elkaar gesproken, afgestemd en besloten was!

Time out – De crisis als kans

‘Time out’, betekent in de sport zowat een onderbreking van het spel, waarin de beide ploegen zich verzamelen, de tijd nemen en opnieuw kunnen overleggen hoe zij voortaan het spel willen verder zetten. Corona biedt ons de kans vanoop de afstand van de gedwongen quarantaine onze wereld en ons leven in ogenschouw te nemen. We kunnen de blik naar binnen richten en ons afvragen wat voor ons werkelijk belangrijk is, hoe wij in de komende jaren willen werken en leven, waar wij de zwaartepunten willen leggen en wat wij in de toekomst anders willen doen.

  • Kunnen wij bijvoorbeeld een andere verhouding tot de aarde vinden?
  • Kunnen wij leren anders met de dieren om te gaan?
  • Kunnen wij anders economie gaan bedrijven, holistischer, duurzamer, en in coöperatie in plaats van concurrentie?
  • Kunnen wij onze samenleving anders inrichten, meer vrijheidsgericht, democratisch en solidair?
  • Kunnen wij beslissingen anders nemen, democratisch en met in plaats van tegen elkaar?

Wij leren juist dat het mogelijk is, op een nieuwe manier te denken en de dingen heel anders te doen dan totnogtoe. Zo kan iedere crisis tot een kans worden voor een fundamentele, nieuwe bezinning op onze verhouding tot de aarde, want de huidige pandemie heeft bewezen tot welke grote veranderingen wij in staat zijn, als het nodig lijkt. Dan lukken ons in de kortste tijd veranderingen die voordien jarenlang onmogelijk leken. Dat is misschien de belangrijkste ervaring van de laatste weken en maanden. Die mogen wij niet vergeten.

Verdrinken in de zee van schulden?

Ik denk dat de tijd na corona de meest politieke wordt die we ooit beleefd hebben. Ik bedoel hier dan wel ‘politiek’ in de beste zin. Want het gaat om onze polis, om de samenleving. Fundamentele beslissingen zullen er moeten komen en moeten genomen worden. En ik hoop dat U erbij zult zijn! De tijd is immers voorbij waarin fundamentele beslissingen voor de hele maatschappij achter gesloten deuren met een handvol mensen konden worden genomen. Voor al die wachtende vragen hebben we een transparant en openbaar debat nodig, het afwegen van verschillende pistes en aan het einde de grootst mogelijke deelname van de mensen zelf aan de beslissingen. Dat zal niet vanzelf komen. Daar zal strijd voor nodig zijn. Bereidt U zich daar alstublieft al even op voor.

De grote, lastige vragen die na de pandemie dienen uitgeklaard te worden, beginnen al met het probleem van de schulden. De financiële gevolgen van de pandemie worden elke dag minder berekenbaar. Slechts één voorbeeld: 1,2 biljoen euro bedraagt tot hiertoe (stand midden mei 2020) alleen het door de Duitse regering voor de Duitse economie opgezette hulpprogramma. Hier bovenop komen verdere uitgaven voor Europese en bilaterale hulpacties. Het is het grootste hulpprogramma in de Duitse geschiedenis ooit. Het maakt diepe gaten in zo al lege kassen. Daarbij komt een vermindering van de belastinginkomsten alleen al voor het jaar 2020 op een raming van nog eens 100 miljard euro.

Wie moet deze schulden dragen? Hoe – en door wie – dienen ze ooit terugbetaald te worden? Op dit ogenblik boeken wij ze ongevraagd over op de na ons komende generaties. Daar belasten wij hun toekomst zwaar mee. En het zijn niet de enige schulden. Veeleer verhogen ze in de regel slechts een voorheen al bestaande gigantische overheidsschuld. Ons geldwezen wordt vandaag al door een permanent onaanvaardbare ongelijkheid gekenmerkt. De samenleving, de overheid, staten, gewesten en gemeenten verzinken in een zee van schulden, terwijl andere vermogenden tegelijk mateloze en zinloze rijkdom ophopen. Los van economische en politieke fouten die ongetwijfeld hier en daar het probleem aangescherpt hebben, wijzen deze symptomen op heel fundamentele defecten van ons geldsysteem.

De huidige crisis kan een aanleiding zijn om dit in het openbare bewustzijn te brengen en over een grondige geldhervorming na te denken als enige duurzame weg voor de oplossing van het probleem. In de Afdeling Sociale Wetenschappen en de wereldwijd aangesloten studiegroepen en instituten werken wij sinds vele jaren aan aanpakmethodes en bouwstenen hiervoor. Een basis hiervoor is de Economische Cursus van Rudolf Steiner, waarin deze als een van de eersten dit probleem erkend en doordacht heeft en wegen ontwikkeld om het geld weer gezond te maken.[3] In Duitsland organiseert de bij haar ontstaan uit de antroposofische sociale impuls geïnspireerde GSL-bank jaarlijks een grote ‘geld-top’, waar experten en belanghebbenden gezamenlijk over een tijdseigen geldbegrip en elementen voor de toepassing ervan spreken. [4] Ook in het Goetheanum, de zetel van onze hogeschool, wijden wij ons aan dat thematische domein – laatst nog rond november 2019 bij de bijeenkomst “Economie van de broederlijkheid – geld in het licht van vrijheid en karma”. [5] Voor deze zo dringende en laattijdige hervorming van ons geldwezen zijn dus al veel voorbereidende stappen genomen. Niet slechts op basis van werk van Rudolf Steiner [6], ook langs andere wegen. En toch komen zij die zich ermee bezighouden, tot een heel gelijkaardige aanpak. Het zou dus hoogst wenselijk zijn dat de discussie hierover eindelijk een aanvang neemt. Hoe zou het zijn wanneer de regeringen in plaats van bijvoorbeeld tot een zoveelste ‘autotop’, met het twijfelachtige doel de redding van een in het verleden op de korrel genomen industrie, uit te nodigen, nu eens eerst en vooral tot een brede “geldtop” uitnodigden – met het doel het geldwezen diepgaand te hervormen in de zin van meer duurzaamheid, toereikendheid, solidariteit en vrijheid?

Democratie en karakter

Corona heft de sluier op, brengt aan het licht, maakt duidelijk wat en hoeveel er op deze aarde moet veranderen om niet van de ene crisis in de andere te tuimelen. Deze crisis brengt als onder een vergrootglas talrijke geestelijk-culturele, economische en politieke beslissingen, die de laatste decennia onbezonnen en met te weinig besef van onze verantwoordelijkheid voor de hele schepping en de aarde werden getroffen, nu overduidelijk aan het licht. Hun soms fatale gevolgen maakt ze helderder dan voorheen. Met de grote corona-pauze zouden wij de onverwachte mogelijkheid hebben onze economische, politieke en culturele systemen te hervormen, om te bouwen. Het is geenszins uitgemaakt hoe het afloopt, maar het ligt in onze handen.

Wat democratie en recht betreft heeft de pandemie de meeste landen en maatschappijen als het ware met één trap terug in het verleden gekatapulteerd. Van de ene dag op de andere bevond men zich te midden van een sinds lang als overwonnen beschouwde situatie. In de plaats van grondig bediscussieerde parlementaire besluiten en wetten kwamen er haastig bij elkaar geschreven decreten. Grondrechten – van algemeen persoonlijkheidsrecht over de vrijheid van vergadering, vrijheid van vereniging, bewegingsvrijheid, vrijheid van beroep, eigendomsgarantie en vrije uitoefening van religie – werden ingeperkt op een schaal die anders alleen in oorlogstijden bestond.

Tussen de landen was er verschil in omvang, wijze en vorm. Zo laat de omgang met deze uitdaging ook een vergelijking toe met culturen en systemen. En toont de sterkten en zwakten van hen die ons regeren. Interessant en leerrijk is bijvoorbeeld eens te kijken naar Nieuw-Zeeland, Finland, Denemarken, IJsland en Duitsland. Deze landen zijn tot hiertoe relatief succesvol de pandemie doorgekomen. Ze hebben in vergelijking lage besmettingscijfers en/of weinig sterftegevallen. En aan het hoofd van al deze landen staat een vrouwelijke staatsleider! Ook hierin kunnen we, tegen de achtergrond dat regeren eeuwenlang gold als een mannelijke aangelegenheid, een aanwijzing zien van de onmisbare nieuwe kwaliteiten die de politiek en maatschappijvorm van de toekomst vereisen.

Omgekeerd zien we met grote bezorgdheid en pijn in het hart: waar regeringen door mannen geleid worden die zich graag als supersterke types, als onklopbare winnaars, als macho’s of populisten opstellen, heerst momenteel meestal niet alleen hevige, onvermijdelijke confrontatie en wederzijdse beschuldiging, maar meestal ook tegen de borst stotende onbekwaamheid. De omvang van het gevaar voor de burgers hangt nu eenmaal wezenlijk mee af van het systeem waarin ze leven en van de kwaliteit van hun vertegenwoordigers. Ontkennen, verdoezelen, zich in de schijnwerpers manoeuvreren, onderdrukking, intimidatie, brutaliteit van staat of politie: antidemocratische systemen worden in coronatijden nog rigoureuzer – polariseren de maatschappij en hebben ergere gevolgen. In zo een onzekere situatie zonder voorgaande hangt ten slotte alles af van de vraag: “Kan ik de mensen die momenteel beslissen, vertrouwen? Aan wie zijn zij rekenschap verschuldigd? Wat drijft ze? In wiens naam en belang handelen ze?” En ook van het feit dat deze mensen zich constant aan discussie en beoordeling moeten blootstellen: in het parlement, in het openbare leven, in de rechtstreekse verkiezingen en tenslotte in de politieke verkiezingen. De tendens om tijdens crisissen om een ‘sterke man’ te roepen of democratie door technocratie te willen vervangen is heel gevaarlijk. Juist in bedreigende situaties is democratie van nog groter belang dan anders. En de kwaliteit van democratieën kan getoetst worden aan het feit of hun procedures open en flexibel genoeg zijn om ook in extreme gevallen langs democratisch gelegitimeerde wegen tot deugdelijke en gematigde beslissingen te komen.

Politiek op orde stellen

Ook al is de situatie van land tot land verschillend, toch kan men zeggen: In het begin waren de mensen het bijna overal eens om zich ter wille van de zwaksten solidair te gedragen en steunden ze de uitgevaardigde maatregelen. Maar dat verandert. Immers, bij het begin, toen het gevaar immens leek en er nog weinig betrouwbare informatie en ervaring was voor het omgaan met de crisis, kon de staat niet anders reageren dan met massale beperkingen en strakke beschikkingen van bovenaf.  Maar intussen ligt dat anders. Intussen hebben wij een ruimer gedifferentieerd beeld en veel nauwkeurigere kennis van de toestand. Op dit moment is er vraag naar een ander, veel minder massaal en uniform optreden. Daar hebben de verantwoordelijken het echter moeilijk mee. En op die manier, zoals het in het begin een deugd was gevaar voor de anderen te vermijden door de bepalingen precies op te volgen, zou het maanden later gewoonweg akelig, zelfs griezelig zijn wanneer een maatschappij mak als een lammetje de overheid zou volgen. Meningsverschillen, discussie en in gegronde gevallen ook weerstand behoren tot de essentiële voorwaarden en noodzakelijke elementen van een democratie. Wij zijn geen onderdanen, maar vrije individuen met zelfbeschikking.

Het is onmiskenbaar: sommige bedrijven met grote omzet en machtige organisaties hebben grote invloed op de politiek. Om Duitsland als voorbeeld te nemen: autofabrikanten, Lufthansa of de Duitse voetbalbond. Die kregen al heel vroeg gehoor – en royale ondersteuning of versoepelde beperkingen. Maar andere groepen en individuen, die mogelijk veel dringender het oor en de aandacht van de politiek konden gebruiken, hebben het veel lastiger. De huidige maatregelen gaan bijvoorbeeld volledig voorbij aan de levensrealiteit van ouders, kinderen, kinderdagverblijven en scholen. Kinderen, die het minste gevaar lopen en de meeste nood hebben aan licht, spel, beweging en menselijk contact, gedurende maanden in enge woonruimten en huizen opsluiten is weinig doelmatig en sociaal onaanvaardbaar. Dat deze beperkingen tot de laatste behoren om opgeheven te worden, toont aan hoe weinig op het kind afgestemd en kindvriendelijk onze maatschappijen nog steeds zijn. Het wetenschapscomité dat zich in Duitsland zeer effectief over deze kwestie uitgesproken heeft, de nationale academie voor wetenschappen, bestaat zelf uit academici waarvan niemand jonger is dan 50 en slechts twee van de 24 leden vrouwelijk zijn.

Ik neem dit als voorbeeld om te tonen hoe onze staat en onze samenleving moeten veranderen. Immers de mens is veranderd en zal dat verder blijven doen. Op deze weg staat de mensheid voor een  beslissende overgang: van leiding door anderen naar leiding door zichzelf. Streefde zij “aan het begin van de cultuuromstandigheden naar het ontstaan van sociale verbanden”, waaraan het belang van het individu ondergeschikt werd gemaakt, dan leidt “de verdere ontwikkeling […] naar de bevrijding van het individu uit de groepsbelangen naar de vrije ontplooiing van de behoeften en krachten van de enkeling”, schrijft Rudolf Steiner in de zogenaamde “Sociologische Basiswet”[7].

In de middeleeuwen bijvoorbeeld ervoer de mens het recht nog als iets dat van buiten en van boven kwam. Het lag in handen van een kleine groep personen: koningen, landsheren, vorsten. Vandaag is het bewustzijn van de mensen en daarmee de verhouding van de enkeling tot het recht veranderd. Wij zijn vrijer geworden. En daarmee ook individueler. Dat betekent tevens: verantwoordelijker. De ”soeverein” is vandaag niet meer de vorst of de koning, maar de samenleving van vrije en gelijke burgers. Wij mensen brengen gezamenlijk het recht voort. Daarom kan vandaag nog slechts dat als recht worden beschouwd, waaraan elkeen de mogelijkheid had om mee te werken. De overheidsstaat dient afgelost te worden door een democratische rechtsstaat die door alle burgers samen opgericht en verantwoord werd.

Zelfbestuur en burgerraden

Daar zijn nieuwe vormen van democratie voor nodig. Hoe meer verscheiden meningen en perspectieven in de politieke beslissingen binnenstromen, hoe beter uiteindelijk de politieke beslissingen zelf. Net nu, als gevolg van de tegenstrijdige ervaringen in de corona-pandemie, gaat het erom nieuwe participatie- en beslissingsvormen te creëren. Alle belangrijke stemmen moeten kunnen binnenstromen. Bij beslissingen als reactie op een pandemie stellen zich op verre na niet uitsluitend medische vragen. De medewerking van sociale wetenschappen, ethiek, economie, politieke en rechtswetenschappen zijn bijvoorbeeld even onontbeerlijk. Zij dienen in de overeenkomstige adviescommissies van de regeringen passend vertegenwoordigd zijn.

Maar nog belangrijker is het niet alleen experts, maar ook de betrokkenen en de burgers zelf hierin een stem te geven. Een mogelijkheid zou zijn op de verschillende niveaus ronde tafels op te richten, waar de verschillende zienswijzen elkaar ontmoeten en tot een vergelijk komen. Een andere zou kunnen bestaan uit representatief bezette burgerraden. Op alle niveaus, in een stadsdeel resp. gemeente, op stads-, provincie-, gewest- en landsniveau kunnen tijdens deze moeilijke tijd zulke participatieraden worden opgericht. Een wezenlijk burgernabije politiek zou er het gevolg van zijn. Ik ben er zeker van: zodra de mensen met elkaar beginnen te spreken over hoe ze in hun wijk het leven met de kinderen of de zorg voor ouderen, eenzamen en risicogroepen willen organiseren, ontstaan voorstellen die heel wat praktischer en realistischer zijn dan wanneer dit ver weg bij een overheid gebeurt.

Deze stap laat zich nog verder doordenken. Want voor de grote opgaven die voor ons liggen, hebben we een werkelijk sterke en efficiënte, over zichzelf beschikkende, democratische en sociale gemeenschap nodig. Vandaag beslist één en dezelfde regering centraal en van bovenaf over alle denkbare en meest uiteenlopende vragen – van theater- en schoolsluitingen of de inperking van religieuze erediensten tot kooppremies voor autoklanten of strategische beslissingen voor de toekomstige werking van een luchtvaartmaatschappij. Zou ook dat er niet beter, deskundiger, dichter bij de burgers en democratischer aan toe kunnen gaan? Laten we ons even voorstellen dat we geen regering hadden die over al de meest verschillende maatschappelijke terreinen tot in de kleinste details beslist, maar dat we een vorm van politiek zouden hebben waarin de opgaven zelfregulerend, decentraal en dichter bij de mensen besproken en tot een goed einde gebracht worden.

Machtsonttrekking en geleding van de maatschappij

Neem, om het concreter te maken, de scholen. Zij werden ten slotte maandenlang op centralistisch  overheidsbevel gesloten, volledig, zonder ook maar de kleinste uitzondering, evenals speelplaatsen en parken, kindertuinen en andere advies- en opvangvoorzieningen. Ouders werden vervolgens met hun kinderen vastgezet in huis, kinderen werden in donkere en enge ruimtes voor onbeperkte tijd aan zichzelf overgelaten of niet zelden aan de invloed overgeleverd van alcoholverslaafde, wanhopige, onbeheerste volwassenen.  De maatschappelijke werk(st)ers, de begeleidsters, de leraars waren op de hoogte van deze gevallen. Maar zij konden, wat zeg ik, zij mochten niets doen! De reusachtige schoolvoorzieningen stonden er intussen troosteloos leeg bij. Dat was een door virologen uitgedachte verordening, niet die van pedagogen of betrokken ouders. Ik ben er zeker van dat, indien men het kader duidelijk had gemaakt en dan de verantwoordelijkheid aan de zelfbeschikking van de mensen had toevertrouwd die bij school en opvoeding betrokken zijn, en niet aan die van een door virologen geadviseerde bureaucratie, dit tot heel wat zinvollere en betere oplossingen had geleid.

De staat had enkel moeten zeggen: dit zijn de punten die je niet uit het oog mag verliezen – kijk nu maar of je voor iets beters kunt zorgen, of je een middel vindt om met je kinderen om te gaan die recht doet aan de bescherming tegen besmetting én aan de spel- en bewegingsbehoeften van de kinderen. Dan zou het kunnen gebeuren dat sommige scholen sluiten, maar andere laten misschien desondanks de lessen doorgaan – alleen anders, in beweging, op verdeelde plaatsen, in openlucht of in vormen waar voordien nog niemand op gekomen was. Het gaat daarbij om de kracht van de zelforganisatie, daarom, dat en hoe mensen met elkaar de geschikte weg vinden vanuit de kennis van de in het oog te houden gezichtspunten maar ook van de respectievelijke terreinen en de concrete kinderen.

Zo zou ook op andere terreinen gaandeweg zelfbeschikking kunnen ontstaan. Zinvol zou daarbij zijn, naast het aspect zelfbeschikking op zich, een opsplitsing naar de qua categorieën verschillende maatschappelijke functionele zones, in de cultuur (met onderwijs, kunst, wetenschap en religie), het gerechtelijk-politieke en de economie.

De tijd waarin de maatschappij uniform en centralistisch van boven naar onderen geordend en geregeerd werd, is voorbij. Een nieuwe tijd is aangebroken. De mensen willen niet over het hoofd gezien, niet voorbijgegaan worden, zij willen gevraagd, gehoord en betrokken worden. Zij wensen te ervaren dat hun woord en hun stem meetelt. Wanneer regeringen deze roep negeren en de mensen steeds weer onmondig houden en voorbijlopen, zal de nu al wereldwijd tastbare woede en verwerping van de bestaande vormen en hun protagonisten alleen maar toenemen. Deze verwerping vindt haar oorsprong in het meestal onbewuste verlangen om als mens ernstig te worden genomen  – ook wanneer die zich vaak eerder in aanklachten, woede en verontwaardiging uit.

Wanneer deze kracht niet haar zinvolle activiteit en gepaste uitdrukking vindt, dreigt ze destructief te worden. Rudolf Steiner wees erop hoe de zich opwerkende kracht van de individualiteit steeds meer tot egoïsme, versnippering en verstoring moet leiden als we niet besluiten de maatschappij dienovereenkomstig nieuw te organiseren en de sociale ordening op de kracht van menselijke zelfbeschikking te bouwen. Met de weg naar nieuwe vormen van functionele structuur en zelfbeschikking echter groeit een nieuw potentieel. Die kracht ontvouwt zich uit de concrete ervaring van actieve deelname – en wel in twee richtingen tegelijk: naar binnen als vertrouwen in eigen kracht en autonomie, een ervaring die het individu sterkt, en naar buiten als een groeiend vermogen tot erkenning van en respect voor anderen, tot begrip en inachtneming van grotere samenhangen en ten slotte tot verantwoordelijkheidsgevoel voor het grote geheel.

Van heerschappij naar verbondenheid

Wij hebben de aarde lang als een willekeurig object beschouwd. Wij hebben ze met de voeten getreden, geplunderd, vergiftigd, kapot gemaakt. Op dezelfde wijze hebben we tegenover de dieren gehandeld. Wat wij deze wonderlijke wezens ook nu nog dagelijks aandoen – bijvoorbeeld in de industriële intensieve veehouderij of door de vernietiging van hun habitat en de uitroeiing van talloze soorten – is nauwelijks te dragen en vervult ons met schuld- en schaamtegevoel. Wij hebben ook mensen tot objecten gemaakt en doen dat nog steeds. Wij hebben ze uitgebuit, vervolgd, onderworpen, tot slaven gemaakt. Nu wijst een dramatische opeenvolging van crisissen ons erop dat het zo niet meer verder kan. Wij dienen een andere verhouding tot stand te brengen met de mensen die voor, met, rond en na ons leven – en die met ons verbonden en er voor ons zijn, net zoals wij voor hen –, een andere verhouding tot de planten, waaraan we zoveel te danken hebben, niet het minst al die schoonheid, ons leven en onze gezondheid, een andere verhouding tot de dieren, die onze begeleiders en metgezellen zijn en een andere verhouding tot de aarde, die ons draagt en verdraagt – en zonder welke wij er niet zouden zijn.

Al deze wegen zijn tegelijk wegen naar het spirituele. We verlaten de enge grenzen van ons voorstellingsbewustzijn naar het spirituele toe, waar het om een nieuwe verhouding tot de dierenwereld gaat, tot de plantenwereld, tot de aarde. Want deze verhouding wil zeggen een band, een verbinding met iets waar ik alleen in contact mee kan komen wanneer ik de enge grenzen van het abstracte denken en het alleen zinnelijke ervaren bewust en actief overstijg. Niet anders is het bij de creatie van een andere economie, die niet in de eerste plaats aandacht heeft voor winst, het materiële, het geld verdienen, maar voor dat wat we voor de aarde en voor de andere mensen kunnen doen. En wij zijn ook in het spirituele wanneer we bij politiek niet meer in decreten, verordeningen en uitvoering denken, maar wanneer we samen door gesprek, door dialoog en gezamenlijke beslissing de vragen proberen te beantwoorden die de tijd en het lot ons stellen. Steeds gaat het om het overschrijden van de eigen grenzen en om het zich open stellen voor het andere wezen. Dit – en niet meer macht en beheersing – is het nieuwe oergebaar van het sociale.

Gerald Häfner


[1] Ute Hollanda: “Menschheit”, in: Gegenwart, Zeitschrift für Kultur, Politik, Wirtschaft, nr. 2/2020, p. 26.

[2] T.a.p.

[3] Rudolf Steiner: Economie – De wereld als één economie, Nearchus CV, Assen 2016.

[4] https://www.GLSBankstiftung.de/BesucherInnen/geldgipfel/geldgipfel-2020/

[5]https://www.confoedera.ch/assest/uploads/files/confoedera/Aktuelles.Archiv/Archiv/Veranstaltungen/Programm_Ökonomie%20der%20Brüderlichkeit.pdf

[7] Rudolf Steiner: De kernpunten van het sociale vraagstuk – De driegeleding van het sociale organisme, Vrij Geestesleven Zeist, 1988

Contact information

Social Media

Legal Information

Privacy Policy

Suscribe to our Newsletter

Stay informed of our activities, events and publications.

Goetheanum

The School of Spiritual Science is responsible for research in the spiritual field, for stimulating and dealing with practical questions and for continuing education in anthroposophically oriented fields of work. Today the university is divided into one general anthroposophical section and ten specialist sections. The work is based on the course in the humanities held by Rudolf Steiner in 1924 for the members of the university as part of their first class. The university has its headquarters and coordination centre at the Goetheanum and its work takes place worldwide in the contexts in which members of the university are active.

School of Spiritual Science: